Dat mag tie toch niet doen?

Dat mag tie toch niet doen?

Artikel door Irma Metzger

De geleidehond is een geweldig mobiliteitsmiddel. Geen ander middel biedt zoveel bewegingsvrijheid en onafhankelijkheid. Maar een geleidehond is nog zoveel meer. Een levend wezen dat allerlei leuke en niet zulke leuke dingen doet, gewoon, omdat ie een hond is. ‘Chirurgen, rechters, politieagenten iedereen mag fouten maken, alleen de geleidehond mag dat niet’. Want hoe vaak hoor je mensen niet zeggen…

Dat mag tie toch niet doen?

Ergens in Nederland is een geleidehondgebruikster die af en toe ’s middags een dutje doet. Ze heeft de ogen nog niet dicht of haar hond loopt langs. Met zijn neus voelt hij aan haar wimpers. Bewegen die, dan is ze nog wakker en taait hij af, want hij mag natuurlijk niet op de bank, dat weet hij heel goed. Maar bewegen de wimpers niet, dan slaapt ze en is de kust veilig om ook een tukkie te doen, op de andere bank. Die geleidehondgebruikster zet dit in scene. Ze lacht zich suf om de inventiviteit van haar hond. En zodra ze wakker wordt, zorgt die hond er wel voor dat hij als de bliksem in zijn mandje ligt, zo slim is hij ook nog wel.

Dat mag een geleidehond toch niet doen?

‘Ik zou niet weten waarom niet’, vindt Ans L’abee van Geleidehondenopleiding Ans L’abee. ‘Begrijp me goed, ik zeg zeker niet dat alle geleidehondgebruikers hun hond op de bank moeten halen. Dat ze niet op de bank mogen leren ze in de pleeggezinnen en dat weten ze. Maar waarom zou die hond het niet mogen omdát hij een geleidehond is?’

Eerlijk gezegd, gaat het Ans ook helemaal niet om die bank of over de vraag of een hond daar nu wel of niet op mag liggen. Waar het haar om gaat is die vraag; ‘Dat mag een geleidehond toch niet doen?’ Want die wordt nog al eens gesteld, soms te pas – maar wat haar en de instructeurs van KNGF Geleidehonden betreft – heel vaak ook te onpas. Een moeilijk onderwerp vindt ze het, want het is lastig om uit te dragen wat ze precies bedoelt en omdat ze niemand voor het hoofd wil stoten. Vooral omdat er zoveel geleidehondgebruikers zijn die het juist heel goed doen. ´We hebben zulke leuke cliënten´, gnuift ze.

Maar goed, hallelujaverhalen zijn er genoeg. Ondanks haar terughoudendheid wil ze toch wel graag bespreekbaar maken dat een geleidehond eerst en vooral een hond is en dat daar soms wel eens aan wordt voorbijgegaan. ‘Een geleidehond doet zoveel dingen heel goed en soms doet hij iets omdat hij nou eenmaal hond is, wat hem genetisch ingebakken is zeg maar, en wat dan als vervelend wordt ervaren. En dat zou hij dan niet mogen doen omdat hij geleidehond is.’

Het gebeurt regelmatig dat mensen – publiek op straat én geleidehondgebruikers – verbaasd zijn als een geleidehond iets doet wat je van die ´onberispelijk getrainde wonderhond´ niet zou verwachten. Daar is een heel rijtje van; in de sloot springen liefst vlak voordat de baas naar z´n werk moet, in de viezigheid rollen, enthousiast mensen begroeten of door het huis rennen bij het eerste bezoek aan de nieuwe buren.

‘Er zijn 1001 voorbeelden´, zegt Ans. ´Zoals, een hond die losloopt langs een weidegebied. Daar zit een groepje kraaien. Dan krijgen wij te horen, dat de hond achter de kraaien aangaat en dat hij dat toch niet mag doen? Maar waarom niet? Waarom zou een geleidehond die losloopt, dat sprintje niet mogen trekken, leg me dat nou es uit?´

Een ander herkenbaar voorbeeld is het enthousiast begroeten van mensen. Veel labradors en goldens doen dat omdat het nu eenmaal sociale, blije honden zijn. Het is Ans een doorn in het oog dat blijheid zo vaak verkeerd vertaald wordt door druk zijn. Natuurlijk zijn er honden die drukker zijn dan andere, maar een ´vrolijke noot´, zoals Ans een blije hond noemt, dat moet je niet als negatief zien.´Pas op´, zegt ze wel, ´We zeggen het er bij plaatsing wel bij, zoveel hebben we wel geleerd. Dan zeg ik: ‘Dat moet je leuk vinden, anders moet je die hond niet nemen.’ Hoe goed ze haar geleidewerk ook doet, die vrolijke noot hoort erbij. Dat is haar karaktertje. Voordat je eraan begint, moet je je verdiepen in het wezen dat een hond is. Dan begrijp je waarom hij doet wat hij doet.’

80% hond, 20% geleidehond

Voor hoofdinstructeur Kees Tinga van KNGF Geleidehonden is wat Ans vertelt heel herkenbaar. ´De goede – en dat zijn gelukkig de meeste – niet te na gesproken, maar het lijkt soms wel dat we zelfs van de normale dingen geen last meer mogen hebben.´ Opmerkingen als ´dat heeft hij niet te doen´ of omgekeerd, ‘dat heeft hij maar te doen´ en ‘dat moeten jullie hem leren´ klinken al te bekend. Net als ´hij is toch opgeleid?´

Kees: ´Iedereen snapt dat een geleidehond een levend wezen is en geen robot. We hebben hem opgeleid, niet geprogrammeerd. En toch moet een geleidehond het allemaal maar doen, foutloos en onder alle omstandigheden.´

Hij begrijpt donders goed waarom Ans het zo moeilijk vindt dit onderwerp goed over het voetlicht te brengen. Het zou de schijn kunnen wekken dat geleidehonden het niet goed hebben. ´En dat is zeker niet zo´, weet Kees. ‘Vaak is het onbegrip, geen onwil.’

Een goed voorbeeld daarvan is een telefoontje na de jaarwisseling. Een meisje belt naar de geleidehondenschool omdat haar hond op oudejaarsdag sneller liep en veel om zich heen keek. Zij vond dat hij dat niet mocht en of dat ‘getraind kon worden.’

Kees: ‘Dan denk ik, die hond loopt 364 dagen per jaar als een zonnetje. Eén dag is hij afgeleid door vuurwerk. Zo gek is dat niet. Onze geleidehonden raken in principe niet in paniek van plotselinge knallen, maar dat ze in de gaten houden waar het vandaan komt en misschien wat sneller lopen omdat ze het niet fijn vinden, is toch logisch?’

Totaalpakket

´Natuurlijk vertellen wij mensen dat een geleidehond een hond is met zijn goede en zijn mindere kanten´, vertelt Kees. Maar of mensen zich altijd realiseren wat het betekent om met die mindere kanten te leven, is niet altijd gemakkelijk boven water te krijgen. ´Welke aspirant- geleidehondgebruiker gaat ons vertellen dat hij dingen van honden vervelend vindt, terwijl hij zo graag een geleidehond wil hebben?´

Ook Ans L’abee en collega-instructeur Evaline Koning hameren tijdens een voorzorgbezoek op het feit dat een geleidehond vooral ook een hond is.´

Ik kan een hond niet afleren om hond te zijn
Evaline Koning: ´We vragen altijd wat iemand niet leuk vindt aan een hond. Dan zijn er mensen die zeggen dat ze zich nergens aan ergeren. Ze bestaan hoor, mensen die alles goed vinden, maar meestal zijn er wel dingen die niet zo leuk zijn. En dat geeft ook niets. Je hoeft niet alles leuk te vinden.´ ‘Als één van onze honden in een dode vis rolt tijdens een boswandeling´, gaat Ans verder, ´dan balen wij ook. Maar we nemen het voor lief, want het hoort erbij. Een geleidehond is een totaalpakket, een hond en een stukje geleidehond. De ´hondse´dingen die er inzitten zijn genetisch bepaald. Ik kan een hond toch niet leren om geen hond te zijn?

Zelfkennis

Hoe gek het ook klinkt, een hond en een geleidehond kunnen twee verschillende dingen zijn. De opmerking; ‘dat mag tie toch niet doen?’ wordt sporadisch gehoord als de hond in tuig is. De dingen die een geleidehond uitspookt die niet bij zijn superimago passen, blijken vrijwel altijd te gebeuren als hij losloopt. Dat hij niet terugkomt op commando, bijvoorbeeld. Dan blijkt dat de hond zich al drie keer gemeld heeft, maar dat zijn baas te druk was met praten. Of dat een hond tijdens het werk steeds weer opstaat als er nieuwe mensen het kantoor inlopen. Blijkt dat de baas het soms goedvindt en soms niet.

‘Investeer in je hond’, vindt Ans. ‘Verdiep je in hem zodat je snapt waarom hij iets doet. Een geleidehondgebruiker krijgt een kant en klare geleidehond, maar die blijft altijd doorleren. Je moet dus goed bedenken wat je wel en niet wilt. Als je een hond toestaat om iedereen te begroeten, vindt hij dat leuk. Hij krijgt aandacht, dat bevalt hem dus zal hij het gedrag herhalen. Dat is ook conditionering. Als je iets niet wilt, bijvoorbeeld dat je hond op de bank gaat, wees dan consequent en handhaaf wat hij in het pleeggezin geleerd heeft. Maar om te zeggen dat hij het niet mag omdat hij geleidehond is, dat werkt natuurlijk niet.’

Wat om de nodige zelfkennis vraagt, is de keuze voor een bepaald temperament. Temperament heeft een hond namelijk altijd en niet alleen als het zijn baas goed uitkomt. Je kunt een pittige, energieke hond willen omdat je in het weekend graag wandelt op het strand, maar een pittige hond is ook een pittige geleidehond. Als je na een dag vergaderen moe thuiskomt en zo´n hond heeft de hele dag in zijn mand gelegen, dan wil die ’s avonds nog wel wat doen. Dan zul je als baas dus in actie moeten komen, ook al ben je keikapot van de lange werkdag. Ans: ´Wij kunnen hem niet leren dat hij alleen op het strand energiek mag zijn.´

"Als een hond mag zijn wie hij is, krijgt zijn baas dat in 100-voud terug"

Dubbel en dwars terug

Voor de zoveelste keer zegt Ans dat het allemaal wel goed opgeschreven moet worden. Want net als collega Kees Tinga vindt ook zij dat de meeste cliënten gewoon ontzettend leuk met hun hond omgaan. Maar net als Kees vindt ze ook dat er begrip moet zijn voor het fenomeen hond.

‘Ik vind dat een must. Als je niet met de randverschijnselen van een hond overweg kunt, dan is een hond voor jou niet dat ideale hulpmiddel, hoe geweldig hij als geleidehond ook is.’

Voor wie dat wel kan, betaalt het zich dubbel en dwars terug.

Een geleidehondgebruiker heeft een hond die graag met de poten op de vensterbank naar buiten kijkt. Op een dag staat de hond weer op zijn post als zijn baas naast hem komt staan. Hij zegt tegen de hond. ‘’Je staat daar wel, maar je kunt niks zien. Want het rolluik zit nog dicht.’

Of een geleidehond nu wel of niet met zijn poten op de vensterbank mag is niet belangrijk. Van deze baas mag hij het. Hij kan er de humor van inzien. Deze hond mag zijn wie hij is, hond én geleidehond. En dat krijgt zijn baas in 100-voud terug. In liefde én in het geleidewerk.’

‘Voor aspirant-geleidehonden zijn regels belangrijk’ 

Ingrid Nijman, hoofd Puppy- en Pleeggezinnenzorg: ‘Een pup of jonge hond in het pleeggezin moet natuurlijk ook hond kunnen zijn. Toch is het voor hen heel belangrijk dat ze volgens onze richtlijnen opgevoed en begeleid worden. Op de bank liggen, zwemmen of achter een groepje ganzen aanrennen, is voor een hond heel leuk. Als geleidehondgebruikers dat goed vinden, is dat prima. Jonge honden in de pleeggezinnen mogen het absoluut niet. Afleren is namelijk heel veel moeilijker dan aanleren. Zou een hond in het pleeggezin al geleerd hebben dat hij mag zwemmen of op de bank mag liggen, dan heeft zijn blinde baas daar later geen zeggenschap meer over. Die zit dan met een eigenschap waar hij misschien helemaal niet mee overweg kan.’